21 vragen aan… Leonieke Baerwaldt – De Groene Amsterdammer


© Bianca Sistermans

In een gedeeld schrijverskantoor aan de Oudezijds Voorburgwal ontmoet ik schrijfster Leonieke Baerwaldt. Na haar debuutroman Hier komen wij vandaan (2021) verscheen vorig jaar Dagen als vreemde symptomen. Het boek werd positief ontvangen; ze won deze maand de BNG-literatuurprijs en is nog in de race voor de Libris Literatuur Prijs. Baerwaldt beschrijft de dagelijkse sleur van een moeder, genaamd Sisyphus, die zorg draagt voor haar meervoudig beperkte dochter Mia. Ze wisselt de rauwe realiteit af met filosofische overpeinzingen en een reis door de hel. Ik spreek Baerwaldt over onder meer hoop, ouderschap en haar fragmentarische schrijfstijl.

Sisyphus neemt ‘taal tot zich als remedie’. Doe jij dat ook?
Taal geeft houvast in moeilijke tijden. Ik heb twee jonge kinderen en het moederschap kan eentonig zijn. Ook toen mijn vader ernstig ziek werd, merkte ik dat intensief zorgen voor een ander vaak met verveling gepaard gaat. Ik worstel met verveling, op een existentieel niveau, als mens, maar dus ook in mijn zorgrelaties. Woorden bieden een uitweg. Het verhaal van de moeder verbind ik niet voor niets aan het lot van Sisyphus. Camus heeft het in De mythe van Sisyphus over het absurde als ‘de wanhopige zoektocht naar zingeving in een onverschillig universum’. Taal en lezen vormen voor dit personage een manier om te ontsnappen naar werelden die ze kan verkennen buiten haar eigen wereld, een handvat om niet te verdrinken in dat ene begrensde leven.

Lukt het Sisyphus om met een glimlach de rolstoel van haar dochter de berg op te duwen, of verzet ze zich tegen het absurde?
Deels. Mijn Sisyphus is ook maar een mens die steeds verschillend reageert op dezelfde situatie. Ik wilde niet dat het een ideeënroman werd, voor mij is Sisyphus een echte vrouw. Als ze al iets vertegenwoordigt, dan is het menselijkheid.

Welke rol speelt hoop in Dagen als vreemde symptomen?
Blijven zoeken in een onverschillige situatie, dat vergt hoop. En dat hopen gaat tegen beter weten in. Sisyphus probeert te doorgronden wat hoop nu eigenlijk is, tevergeefs natuurlijk.

Ik lees: ‘hoop verlengt de marteling’.
Ik vecht dagelijks tegen mijn eigen cynisme, maar ik vind hoop wel een mooie menselijke drijfveer die sommigen meer nodig lijken te hebben dan anderen. Zelf ga ik niet zo hoopvol om met de hardheid van het bestaan. Al probeer ik wél in de zoektocht te geloven, ook dat is een beetje Camus: het blijven zoeken ondanks dat je weet dat het eigenlijk nutteloos is.

Waarom gebruik je lege ruimtes op de pagina?
Ik wil dat de lezer net zo zeer in het duister tast als mijn personage. De fragmentarische vorm werkt daarbij, wat het niet meteen een makkelijke leeservaring maakt in het begin. Het is dus heel opzettelijk op die manier geschreven. Ik wil dat de lezer ook in verwarring is en gaat reconstrueren, net als Sisyphus. Voor mij ligt het fragmentarische trouwens ook dichter bij de werkelijkheid dan een goed aan elkaar geknoopt verhaal. Samenhang ontstaat doordat je dingen naast elkaar plaatst, het is verrassend om daarin veel vrijheid te nemen.

Wat betekent de relatie tussen ouder en kind voor jou?
Ik vind het een fascinerende relatie omdat het zowel een zorgrelatie als een machtsrelatie is. Ik ben geïntrigeerd door wat veilig en onveilig aanvoelt voor ouders en kinderen. Wanneer zorg je goed voor de kwetsbare ander? En wanneer leef je als kind in een onveilige situatie, kun je dat herkennen? Ik denk het vaak niet. Zo wordt het kind een soort speelbal van de grillen van zijn ouders. Daar stond ik vroeger heel kritisch tegenover. Sinds ik zelf ouder ben, zie ik dat het ouderschap minder stuurbaar is dan ik dacht. Dus ben ik er wat milder tegenaan gaan kijken. Maar het blijft een allesbepalende relatie voor de rest van iemands leven. En dat boeit me mateloos.

Mia houdt haar moeder overeind.
Volgens Emmanuel Levinas is de verantwoordelijkheid die je voor de hulpbehoevende ander voelt een eindeloze last. Het zorgen als zodanig is een ongenadige taak. Het is, zeker als het om een heel langdurige en intensieve zorgrelatie gaat, op je tandvlees lopen. En dan is eigenlijk de enige die jou recht overeind houdt degene voor wie je zorgt.

Waarom de titel Dagen als vreemde symptomen?
De titel komt van een nummer van Kae Tempest, People’s Faces. Ergens zegt hen: ‘My days are not days, they are strange symptoms.’ En dat paste intuïtief zo goed bij de hel die ik aan het scheppen was. Sisyphus zit vast in een eeuwigheid en zoekt uit waarom haar dagen als vreemde symptomen van iets voelen en wat dat ‘iets’ dan is.

In een passage benoem je talloze manieren om dood te gaan. Wat wil je hiermee zeggen?
De dood is alomtegenwoordig en kan ons op elk moment en in iedere gedaante overvallen. We leven in het aanschijn van de dood. Dat op dagelijkse basis negeren daarvan is iets waar ik zelf veel moeite mee heb. Ik ben een heel angstige persoon. En in die passage ben ik gewoon losgegaan. Het stuk is samengesteld uit mijn angsten, maar ook uit waargebeurde verhalen.

Je bent laat in je leven begonnen met publiceren, hoe bevalt het schrijverschap?
Eerlijk, ik voel me vrijer dan ooit. Het voelt na twee boeken ook wel beter te rechtvaardigen voor mezelf dat ik van schrijven mijn levensdoel heb gemaakt. Ik ben altijd al veel met woorden bezig geweest. Ik studeerde filosofie en literatuurwetenschap, alles om dichter bij tekst te komen. Maar op de een of andere manier kwam het bij mij pas tot echt schrijven toen ik het als dagtaak ging beschouwen, de waanzin ervan durfde te omarmen. Schrijven gaat net als hopen tegen beter weten in.

Je hebt een unieke stijl. Welke schrijvers hebben je geïnspireerd?
In ieder boek ga ik op zoek naar de juiste vorm, stijl, tijd, persoonsvorm. Daar ben ik altijd mee aan het puzzelen. Ik hou van schrijvers die dat ook doen, ik kan dat aan iemands werk aflezen. Schrijvers als Anne Carson, Helle Helle, Max Porter, Ann Quin, Lydia Davis, Han Kang vind ik inspirerend. Ook bijvoorbeeld Agustín Fernández Mallo, die schrijft zo bijzonder, en hij is zo eigenwijs in zijn vorm, ik vind het gewoon fantastisch dat dat bestaat. Het zijn de vormzoekers die mij vleugels geven. Ze laten mij zien dat vorm en inhoud een essentiële wisselwerking aangaan en dat je daar heel radicaal in mag zijn. Ik zie het als schilderen met woorden en beelden. Hier in Nederland hebben we zoveel brave zelfportretten in de literatuur. Er zit ook een hoop moois tussen, maar ik vind het gewoon heerlijk om te zien wat er nog meer allemaal kan. Ik ben fan van het experiment en vind het nogal saai als een verhaal gewoon wordt opgeschreven.

Welke schrijver wordt overgewaardeerd?
Velen. En ik snap vaak niet waarom.

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou je zelf geschreven willen hebben?
O ja, dat is een verschrikkelijke vraag. Slaughterhouse Five dan maar, van Kurt Vonnegut. Dat boek maakt kunst van het leven.

In je eerste roman betrek je sprookjes. Wat is je favoriete?
De kleren van de keizer.

Je leest en bent niet onder de indruk: uitlezen of stoppen?
Stoppen. Als ik het niet goed vind, stop ik meteen, zodra ik denk: mwoah. Er is te veel goeds om je met het ondermaatse bezig te houden.

Welke schrijver wordt over honderd jaar nog gelezen?
Wat betreft Nederlandstalige schrijvers: Jan Lauwereyns, Manon Uphoff, Nicolien Mizee, Erwin Mortier en Peter Verhelst, dat hoop ik tenminste. Maar nu doe ik veel schrijvers tekort. O ja, en Leonieke Baerwaldt natuurlijk. Niet vergeten. Ik speel wel voor de eeuwigheid.

Is dit een geval van hoop als ‘de verwarring tussen de wens van een gebeurtenis en de waarschijnlijkheid ervan’?
Haha, absoluut. Want over honderd jaar, wie weet.

Jean-Paul Sartre of Albert Camus?
Vanaf dat ik ze gelezen heb, zwenk ik telkens tussen beiden. Maar ik denk op dit moment Camus.

Simone de Beauvoir of Hannah Arendt?
De Beauvoir.

Nietzsche of Kierkegaard?
Nietzsche, zeker.

Sylvia Plath of Virginia Woolf?
Ook die is echt moeilijk… Sylvia Plath. Ik ben dol op haar dagboeken.

Lees ook:




https://www.groene.nl/artikel/21-vragen-aan-leonieke-baerwaldt