Zorgvuldig spreken is je schoenen uitdoen – De Groene Amsterdammer

[ad_1]

Mijn zoon stond onder de douche, zijn warme, glimmende lijfje bleef in mijn ooghoek zichtbaar, terwijl ik op mijn telefoon de woorden las die me op een vreemde manier verontrustten. Mijn eerste reactie: wegdrukken. Ik haalde mijn zoon uit de douche, droogde hem af en vroeg me af of het aan het contrast lag dat ik me zo ontregeld voelde: de kleuter in de giraffehanddoek wikkelen enerzijds, de nogal grove zin in een bespreking van mijn nieuwe roman in een studentenblad anderzijds. Stond dit er echt? Even later haalde ik de pagina terug. Femke Brockhus is bij uitstek een beest dat mag worden afgeschoten. Iets in mij verschoof zonder dat ik er woorden voor had. Toen ik mijn zoon even later in slaap zong en mezelf ophees uit het kleuterbed, begreep ik wat er in mijn lichaam was geslopen.

Gelatenheid zit ergens tussen schaamte en angst in, het is een terughoudendheid die zich moeilijk onder woorden laat brengen. Het is een rare, beschamende pijn. Net als spot en stelligheid, zijn een belediging of zelfs een bedreiging, deuren die in je gezicht dichtslaan. In de verwarring die volgde voelde ik me een buitenstaander van de situatie, die de zinnen voortdurend opnieuw door mijn handen moet laten gaan, om zeker van te zijn van hun gewicht en hardheid.

Dat buitenstaandersgevoel is eigenlijk opmerkelijk, omdat dergelijke gewapende woorden voortdurend hun weg vinden naar diegenen die de publieke ruimte betreden. In het essay Het lied van de kunst: een zoektocht naar de betekenis van artistieke vrijheid (2021) schrijft Maggie Nelson dat het gedrag van online bedreigd worden ‘inmiddels zo wijdverbreid is dat er zich een enigszins voorspelbaar patroon aftekent; ermee te maken krijgen wordt een soort rite de passage.’ Maak je kunst die de wereld ingaat, dan moet je in deze tijd op méér rekenen dan een degelijke (lees: onderbouwde) reactie, die lijkt los te staan van ethische en esthetische regels. Je moet je opmaken voor verweesde taal, ontdaan van ‘zorg’; een term die Nelson opvoert die je kunt interpreteren als het nemen van verantwoordelijkheid voor de ander.

Gelukkig vervolgt Nelson: ‘Misschien is het goed om hier even stil te staan bij de ironie (of de tragedie, of de paradox, of in bredere zin, het productieve antagonisme) van de toegenomen belangstelling voor zorg en wel dat dit samenvalt met de ongekende golf van ontremd, kwetsend gedrag, die goeddeels (maar niet alleen) plaatsvindt op sociale media, en die door velen die eraan deelnemen wordt beschouwd als reparatieve arbeid, zelfs als men zich laat gaan in niet-onderbouwde beschuldigingen, op de man gespeelde beledigingen of bedreigingen. Dat zou geen verrassing mogen zijn; vormen van wreedheid worden wel vaker onder de noemer ‘zorg’ geschaard. Zoals altijd valt of staat dit met de overtuiging dat je een nobel doel nastreeft, wat je vrijpleit van de schade die je aanricht, of wat maakt dat die schade het al met al waard is.’ Het tonen van de ‘waarheid’ aan een (wel of niet bestaande) persoon, het gevoel iets onwaarachtigs ‘door te prikken’, kan zo’n doel zijn. In de grofheid waarmee een individu reageert, ontstaat een ruimte van ontlading, waarin frustratie en een harde satirische kracht samenkomen. Grofheid kan er zo, in zijn directe, ontregelende manier, als entertainment uitzien.

Mijn verlangen naar taal groeide. Niet naar het vormen van een weerwoord welteverstaan, volgens mij was dat er niet, maar wel naar het onder woorden brengen van deze ervaring an sich, de verdrukking die ik ervaarde. In misschien wel elke vorm van taal komen twee partijen samen, die van spreker/schrijver en toehoorder/lezer. Zelfs een schrijver van een dagboek ziet zichzelf als toekomstige lezer en probeert begrijpelijk, volledig te zijn. De vraag rijst: hoeveel ruimte laat je in de taal voor die ander bestaan? Tegenstanders kunnen verschillen van mening, maar wanneer je als vijand wordt aangesproken, is daartegen geen verweer – althans geen verweer van talige aard. Er is geen enkele ruimte voor de ontvanger, waardoor deze als het ware wordt vastgezet in een agressief opgelegde stilte.

De telefilm De Kuthoer (2019), laat precies de sensatie van het verkeren in deze ruimte van opgelegde stilte zien. In deze comedy noir wordt de verruwing van de maatschappij getoond aan de hand van gedrag op sociale media: Volkskrant-columniste Femke Boot heeft het zwaar te verduren op platforms als Twitter, waar onder geanonimiseerde accounts doodsbedreigingen (onder meer ‘Boot moet dood’) en beledigingen (zoals ‘kuthoer’) worden gespuid. De haat neemt haar over; ze kan nergens anders meer aan denken dan aan die woorden. Ze spoort een paar van deze schrijvers op, om ze vervolgens gewelddadig om het leven te brengen. Ze neemt van elk slachtoffer een vinger – waarmee die finale klik van publiceren werd gegeven – mee.

Het bijzondere aan deze film is dat het moorden dan wel een stuwende handeling vormt in het verhaal, maar het daar eigenlijk in de kern niet over gaat. De columniste vecht niet zozeer tegen de mannen die haar hebben beledigd of bedreigd, maar tegen de machteloze stilte waar ze zo hardhandig in is geduwd. De confrontaties laten daarbij de dissonantie zien van individuen die achter hun scherm uitspraken doen van sterk dehumaniserende aard, die ze vervolgens bij een confrontatie – zonder tussenkomst van een scherm; van mens tot mens – ‘niet zo bedoelden’. Misschien is dat wat er zo lelijk is aan dergelijke bedreigingen en beledigingen: het is onnavolgbaar grotesk en ontbeert alle argumentatie. Het is taal die wegkijkt. Tussen iemand aankijken en die persoon alleen maar een ‘kuthoer’ noemen zitten wetten van beschaving (dat doe je toch niet) en misschien nog iets krachtiger en ultiem menselijk: zorgvuldigheid (wat bedoel je daar in godsnaam mee).

In 2016 kwam Amnesty International met een experiment dat ze leende van de performance The Artist is Present van Marina Abramovich, waarin een aantal Europeanen vier minuten lang in de ogen kijken van vluchtelingen die nog geen jaar in Europa wonen. Het werd een film van vier minuten getiteld Look Beyond Borders, waarin de kracht wordt getoond van het zien van de ander. De stilte schept een gigantische ruimte voor de persoon die tegenover je zit, die met taal mogelijk was beperkt door communicatieproblemen, of uitingen van ongemak met platitudes en grijsgedraaide vragen. De wisselwerking die ontstaat is aangrijpend eerlijk en kwetsbaar, er wordt zorgvuldig gekeken, begrepen en meegevoeld. Er komen twee mensen tegenover elkaar te zitten die elkaars menszijn herkennen en de moeiteloze impuls om de persoon tegenover zich als de ander – of zelfs tegenstander – te classificeren, achterwege te laten. De vier minuten duren lang. Bij de kijker groeit een plaatsvervangend ongemak. In al die tijd wordt er gekeken, gezocht en beaamd, er wordt verdriet getoond en er wordt getroost. Die zorgvuldigheid brengt nuance voort: het maakt van een groep een individu, van de vreemde een medemens. Wat we zien is verbinding.

In Look Beyond Borders wordt getoond dat kijken als spreken met je ogen is. In het verlengde daarvan kun je stellen dat spreken zoiets is als kijken met je mond. Wie taal uit, moet rekenen op interactie. Elkaar aankijken wanneer je taal gebruikt, al is het figuurlijk, kan je zien als een zorgvuldigheid waarmee je je uitdrukt. Gedegen taal is bewuste taal, waarin je ruimte voor de ander laat bestaan. Helder formuleren, gedegen onderbouwen of aanbrengen van nuance, zijn daar concrete voorbeelden van.

In een aflevering van de podcast On Being werd de Amerikaans Vietnamese schrijver Ocean Vuong geïnterviewd, die zorgvuldig met taal omgaan niet alleen in zijn schrijverschap praktiseert en thematiseert, maar het als de ultieme menselijke omgangsvorm ziet. Hij vergelijkt deze taal met het uittrekken van je schoenen wanneer je iemands huis binnengaat. Het is het acht slaan op de ander; de ruimte van die ander respecteren. Zorgvuldig spreken is je schoenen uitdoen.

Ik besloot aanvankelijk om de stilte te accepteren. Het lastige van gelatenheid is dat het vraagt om opheffing, maar dat er tegelijkertijd op die handeling een verlegenheid rust. Doen alsof het er niet is, het kleiner maken, de zender en het medium belachelijk maken zijn makkelijke vluchtwegen, van haast niemand zal het lezen tot dit is satirisch bedoeld; er is een sterke neiging, een verleidelijke, om tot negeren over te gaan. Maar hoewel vijandige taal de ontvanger volledig wegdrukt, betekent dat niet dat stilte het juiste antwoord is.

De grensoverschrijdende reactie die óók in de publieke ruimte plaatsvindt, raakt meer dan alleen het beledigde of bedreigde individu. Journalist en schrijver Anil Ramdas stelde: ‘Wie beschavingsregels overtreedt, kwetst iedereen die de beschaving in stand wil houden. Passief toezien is een zeer bijzondere vorm van medeplichtigheid.’ In haar essay onderschrijft Maggie Nelson deze impact van een dergelijke schending die altijd verder reikt dan de ontvanger zelf, wanneer ze spreekt over dit verbale geweld als ‘een druk die we nog niet volledig doorgronden en waar we nog geen echt antwoord op hebben gevonden, maar die zonder twijfel invloed heeft op ons allen.’ Er is dus een groter belang te verdedigen dan een eigen, gedeukt ego.

Wanneer je de zorg die je jezelf toestaat, vergelijkt met het advies wat je je kind, vriend of geliefde zou geven, kom je soms tot een waarachtiger antwoord. Wat zou ik willen dat mijn zoon zou doen, als hij in mijn plaats stond?

Op het politiebureau duurde het even voor de aangifte was opgemaakt. De agente stelde zoveel vragen dat ik het gevoel had ze met een boogje over hetzelfde gingen of op zijn minst met elkaar overlapten. ‘Het kost wat tijd’, knikte ze me toe tijdens het typen, ‘maar het is belangrijk dat we het goed begrijpen’. Ze las voor wat ze had opgeschreven. Het juridisch jargon waarin ze het verhaal had gegoten, voelde als een kooi waarin ik dit taalmonster mocht achterlaten.

‘U wordt hier ook beschuldigd van plagiaat’, zei ze, ‘wilt u geen aangifte van smaad doen?’ Ik schudde van nee, het stond er dan wel als zodanig, maar ergens was ik tevreden dat de schrijver die zijn stuk een recensie noemde, de belezenheid had om mijn boek met We Need To Talk About Kevin van Lionel Shriver in verband te brengen, een zusterverhouding die ik met de letterlijke zin uit mijn roman ‘We moeten het over Nicholas hebben’ heb willen expliciteren, om het contrast tussen deze puberende en uiteindelijk moordende zoons te tonen: het monster dat geboren wordt (de brullende baby, het manipulatieve kind, de sadistische puber) tegenover een liefdevol kind waarin de moeder geen enkel daderspoor kan vinden, tot de dag waarop hij het plotseling is.

Ik overwoog deze toelichting te geven – ik wilde de agente vragen of zij niet ook vond dat dat laatste een interessanter vraagstuk was dat bovendien waarachtiger en vele malen enger is: het feit dat gewone mensen monsterlijke dingen kunnen doen. Hoewel we ons zo graag blindstaren op de oorzaken van onvoorstelbare daden, ze willen doorgronden en controleren om de schrik en nog liever het hele ongeval voor te zijn, kúnnen we dat eenvoudigweg zo vaak niet. Ik wilde weten of zij dat in haar werk had gezien. Maar het duurde al zo lang en dus besloot ik het voor me te houden. De agente las het laatste stuk voor, printte de pagina’s en legde ze voor me neer om te ondertekenen. ‘Ik hoop dat u er als schrijver geen taalslordigheden in aantreft.’

In zorgvuldigheid schuilt – naast tijd en moeite – een kwetsbaarheid. Je toont jezelf, wie je bent, waar je toe in staat bent, wat je denkt, hoe je tot bepaalde gedachten komt, maar ook wat je belangrijk vindt en hoe je je verhoudt tot een ander. Dat schept een ruimte waar de ander een oordeel naast kan leggen, of, tja, hem als een handgranaat naar je toe kan werpen. Het is jammer dat individuele kwetsbaarheid zo vaak maakt dat je je klein, fragiel, breekbaar voelt, omdat de staat van zijn an sich een zekere kracht (zoals bijvoorbeeld eerlijk of moedig) vergt én bovendien krachtig (waarachtig, authentiek) is.

Het woord werpt een interessante contradictie op. In het programma Zomergasten (2025) stelde auteur en journalist Simon Kuper dat kwetsbaarheid in wezen het sterkste ding is: het is precies dat wat niet kan worden vernietigd. Maar hoe is er een schild te maken van een staat van zijn die juist de sensatie geeft met lege handen te staan? Wellicht vormen de woorden van Kuper een troostend besef dat na verloop van tijd de scherpe tanden van taalmonsters bot kan vijlen, maar in die ruimte van machteloze woordenloosheid, in de hitte van het moment, voelt deze troost nog niet als een antwoord.

Misschien dacht Nelson er tijdens het schrijven van haar essay niet aan – ze scheert immers in abstracte termen over het gigantische vraagstuk van vrijheid – maar dan vind ik in haar vroegere werk een handvat. In De argonauten (2015) beschrijft ze hoe ze een tijdlang te maken heeft gehad met een stalker, die haar berichten – waaronder doodsverwensingen – stuurde. Na een stressvolle tijd overweegt ze deze gebeurtenis in een lezing te betrekken. Ze beschrijft dat dit voor haar een daad zou zijn van de negatieve kracht van de episode neutraliseren, inzetten, en dat daar een bepaalde troost in zit. Nelson schrijft: ‘Ergens onderweg hebben mijn helden, van wie de ziel is gesmeed in oneindig hetere vuren dan die van mij, me een ongekend vertrouwen meegegeven in het verwoorden op zich, als een geheel eigen vorm van bescherming.’

Woordeloze ruimtes kunnen een vacuüm vormen. Een ontregelende of zelfs traumatische ervaring voelt vaak zo unheimisch (‘niet thuis’) aan, omdat er nog geen woorden voor handen zijn. Taal schept ruimte, zuurstof; het is niet een keuze, maar een noodzaak. Wanstaltige taal kan als compost dienen waaruit iets nieuws kan groeien, het zou zoiets zijn als recyclen. Anders dan het vergeefs zoeken naar een weerwoord, kan je ervoor kiezen om een nieuw gesprek te beginnen, om met de kiemen een tegenkracht te vormen: een taal – het meest ingewikkelde communicatiesysteem dat de evolutie heeft voortgebracht – met zorg en naar potentie ingezet, om zo, óók niet geheel onbelangrijk, uiteindelijk het best te worden begrepen.

[ad_2]

https://www.groene.nl/artikel/zorgvuldig-spreken-is-je-schoenen-uitdoen