[ad_1]

De kwaliteit van de Nederlandse natuur is zodanig slecht dat talloze soorten balanceren op het randje van uitsterven. Met veel kunst-en-vliegwerk worden ze in leven gehouden door mensen die zich daar met ziel en zaligheid voor inzetten. Het afgelopen jaar heb ik mijn licht opgestoken bij zulke natuurverzorgers. Op basis van hun verhalen heb ik voor De Groene 27 levende doden geportretteerd. Zo probeerde ik een gezicht te geven aan het uitsterven van soorten. Om invoelbaar te maken wat het eigenlijk betekent dat we sinds 1850 85 procent van onze biodiversiteit zijn kwijtgeraakt. Het is niet genoeg om alarmerende cijfers of statistieken te presenteren. Naast systeemkritiek – ‘we moeten toewerken naar een voedseltransitie’ – hebben we vooral een praktijk nodig. En als je wil weten hoe je moet veranderen, kun je kijken naar de mensen die veranderen. Dat zijn zonder uitzondering inspirerende en bijzondere types.
Twee ervan bekenden, onafhankelijk van elkaar, dat je vooral ‘een beetje moet kunnen lullen.’ Je kunt deze natuurbeschermers zien als autoverkopers: ze zijn in staat zijn om mensen iets te verkopen waarvan ze niet wisten dat ze het nodig hadden. In het geval van auto’s valt dat te betwisten, maar bij de natuur is het helder: iedereen heeft natuur nodig, zelfs de mensen die er een hekel aan hebben, kunnen niet zonder.
Onderhandelingen over natuur worden meestal gevoerd in termen van data en niet op basis van emotie. Uit onderzoek blijkt dat zweefvliegen een lineaire uitsterfcurve kennen die overeenkomt met die van wilde bijen, maar de uitsterfcurve van zweefvliegen waarvan de larven bladluizen eten, blijkt een exponentiele uitsterfcurve te kennen. De uitsterfsnelheid van de bladluiseters ligt hoger dan de uitsterfsnelheid van bijen en de andere zweefvliegen. Bent u daar nog? Respect. Dit soort onderzoek is zeer relevant en belangrijk, maar de taal is niet te doen.
Je moet kunnen drammen om succesvol natuurbeschermer te zijn. Want de natuur die je vertegenwoordigt, is niet voor rede vatbaar. Als je honderd grutto’s nodig hebt voor een gezonde populatie, heb je er niets aan als je er tachtig weet te redden. De achteruitgang afremmen is niet genoeg om herstel in te zetten. In de ecologie werkt gezondheid met drempelwaardes en die zijn politiek lastig.
Het is goed herkenbaar in het stikstofdossier. ‘We hebben al een heleboel gereduceerd’, blijven veel boeren herhalen. En het klopt, maar de kritische depositiewaarde is een drempelwaarde en die wordt nog steeds overgeschreden. Dus blijft de natuurkwaliteit achteruit gaan. Iedereen snapt dat een halve brug een domme investering is: het kost geld en je kunt er nog steeds niet overheen. Structureel te weinig stikstof reduceren is precies even dom, maar veel moeilijker uit te leggen. De verzorgers die ik gesproken heb, zijn zonder uitzondering op zoek naar de meest effectieve strategie van drammen, en trekken daarbij alle registers open. Data, onderzoek, wetgeving, beeld en geluid… en ‘een beetje lullen’.
Het nadeel van data en modellen is dat je er ook ecologisch ongeletterd en onverstandig beleid mee kunt onderbouwen. Geen land ter wereld weet zoveel van zijn natuur als Nederland, maar er is ook geen land ter wereld dat er zo slecht mee omgaat. We weten zoveel omdat Nederland klein en dichtbevolkt is en een uitgebreid wegennet heeft. Bij elk snippertje groen kun je de auto parkeren. Nederlanders zijn hoogopgeleid en welvarend; mensen die van vogels houden, hebben geld en vrije tijd voor hun liefhebberij: dure telescopen, spiegelreflexcamera’s, veel weekendjes weg.

Met de tijd, geld en kennis van al die tienduizenden mensen zou je veel meer kunnen doen dan alleen maar ‘data oogsten’. Op data baseer je kennis, en kennis geeft een illusie van controle, maar zolang de mensen ‘in control’ helemaal niet geïnteresseerd zijn in het op de juiste wijze gebruiken van data, schieten we er niets mee op. De natuurverzorgers weten dat je mensen moet raken om te kunnen overtuigen. ‘Ja, en dan sta je voor de uitdaging om zoiets als vloedschedemos net zo sexy te maken als een otter of een zeearend’, vertelde een. Een ander besloot om een vlindersoort te vergelijken met Taylor Swift, om het belang ervan te onderstrepen.
De nadruk op data bepaalt voor een deel ook de strategie: we maken Rode Lijsten en als het met soorten slecht genoeg gaat, komen ze in aanmerking voor bescherming. Er zijn geen Groene Lijsten. Daardoor komen we systematisch te laat in actie en wordt het natuurbeleid vooral vanuit een negatieve strategie vormgegeven. Redden wat er te redden valt; we sturen niet op wat goed gaat. Maar achteruit verdedigen leidt op zijn best tot gelijkspel en meestal tot verlies. Je wint nooit. ‘Niet verslechteren’ heet het in beleidsjargon: stilstand is het officiële doel. Maar stilstand leidt tot achteruitgang, zeker als je niet stopt met vervuilen.
De ecologische wetenschap maakt modellen om ontwikkelingen in de leefomgeving te visualiseren en besturingsinstrumenten zoals dashboards met schuifjes voor allerlei drukfactoren en maatregelen. Het is niet zo dat ‘de modellen niet deugen’, maar ze faciliteren misbruik en valse framing. De politieke koehandel komt dan neer op: als het schuifje ‘stikstof’ een beetje vastzit, dan zetten we gewoon het schuifje van de maatregelen wat verder open. Het klinkt redelijk, maar het is ecologisch onzinnig. Alsof je wel gaat sporten, maar ondertussen blijft roken en elke dag hamburgers eet.
Heideterreinen bijvoorbeeld verkeren in slechte staat door stikstof en verdroging die elkaars negatieve effecten ook nog eens versterken. Dat kun je niet compenseren met heel veel plaggen want daarmee haal je de bodem overhoop. En ook niet met intensief begrazen want dat heeft negatieve effecten op de flora en fauna, waardoor de heidevelden een soort Potemkin-dorpen dreigen te worden, waar achter een façade van mooie paarse struiken ecosystemen schuilgaan die compleet in verval zijn.
Waarnemers zien dit soort dingen gebeuren lang voordat het wetenschappelijk is vastgesteld. Uit onderzoek naar waarnemers blijkt dat twee grote drijfveren een rol spelen die in elkaars verlengde liggen: nieuwsgierigheid en liefde. Wetenschap en bescherming. De natuurverzorgers die ik heb gesproken onderzoeken met open blik, ze laten zich bevragen maar ook corrigeren. En ze stellen zelf veel vragen. Ze opereren niet ‘vanuit het boekje’, maar lezen zich suf en zuigen alles op wat ze tegenkomen. Velen publiceren wetenschappelijk, maar slechts enkelen doen dat ook vanuit professie.
Het begint allemaal met liefde, maar ze combineren het met kennis en praktische handigheid. De meesten kunnen niet anders: ‘het is mijn denken, mijn voelen’, zegt er een; ‘we zijn deel van de natuur’, zegt een ander; ‘we kunnen niet zonder’. Het patroon is duidelijk: het is iets wat ze altijd al geweten hebben. ‘Ik leerde het spelenderwijs, vanuit een aangeboren fascinatie.’ Zulke uitspraken zijn in lijn met bijna al het onderzoek naar mens-natuurrelaties: mensen die zich inzetten voor de natuur hebben allemaal een mooie natuurervaring in hun jeugd gehad. In de natuurbescherming worden de natuurvezorgers, de mensen die zich op lokaal niveau inspannen voor het behoud van bedreigde soorten, weleens gezien als de ‘donkergroenen’, maar dat is omdat ze geen genoegen nemen met goede bedoelingen alleen.

Het dashboard-denken in de natuurbescherming schiet ernstig tekort: de drukfactoren staan er meestal wel op, maar voor de positieve kwaliteiten van natuur in termen van gezondheid, economische ontwikkeling en schoonheid is geen plek. Het beleid wordt echt anders als je de ervaring van mensen centraal stelt. Want ondanks, of misschien juist wel omdat het gemiddeld genomen slecht gaat met de natuur zoeken steeds meer mensen de natuur op en doen er ook steeds meer natuurliefhebbers mee aan tellingen. Als je hen vraagt waarom, geven ze antwoorden in termen van ‘lekker buiten zijn’, ‘steeds meer leren’, ‘bijdragen aan wetenschap’, ‘bijdragen aan bescherming’ en – dwars door culturen heen – ‘er gaan werelden voor je open’. Dat is interessant: weten leidt tot de wens om nog meer te weten. Het groeit als je het voedt. Waarnemen is transformatief: mensen die vogels gaan kijken, worden vogelaar.
De landbouwsector is redelijk ongevoelig gebleken voor knuppelen met data, maar boeren die zelf kijken, zijn wel degelijk gevoelig voor vogels op hun land en vissen in de sloot. Er zijn goede vogelakkers in Groningen, Zuid-Holland en Zuid-Limburg, en er zijn plekken waar zelfs weidevogels standhouden. Maar er zijn ook grofweg 25.000 intensieve landbouwbedrijven waar tientallen miljoenen aan belastinggeld naartoe gaan om voor tientallen miljarden aan maatschappelijke schade te veroorzaken. Als we alleen data over doden in deze discussies meenemen, kom je er niet. Je moet ook de mensen achter de data in stelling brengen. Er zijn in Nederland grofweg tweehonderdduizend mensen (waaronder boeren!) die zich onbezoldigd inzetten voor de natuur.
Het draagvlak voor natuur in de samenleving is gigantisch. Maar liefst 91 procent van de Nederlanders vindt dat natuurgebieden goed beschermd moeten worden en 87 procent vindt dat planten en dieren goed beschermd moeten worden. Meer dan driekwart vindt dat er nieuwe natuurgebieden aangelegd moeten worden en tachtig procent vindt dat landbouw meer rekening moet houden met vogels, insecten en planten, en heeft daarbij een voorkeur voor natuurbelangen boven sociaal-economische belangen. In Nederland legitimeren we het natuurbeleid vanuit de wettelijke verplichtingen – het ‘moet van Brussel’ – maar waarom baseren we ons niet gewoon op wat mensen willen? De natuurverzorgers laten zien hoeveel energie, creativiteit en kracht hierin schuilt. En ze laten zien dat ze bereid zijn tot samenwerking en verder weinig interesse hebben in vingerwijzen.
De bioloog E.O. Wilson noemde het ‘biofilia’: de aangeboren ‘vaardigheid’ van mensen om van de natuur te houden. Het zit in onze evolutionaire hardware en het is duidelijk zichtbaar bij kleine kinderen die onder tegels naar pissebedden kijken. Alles begint met verwondering. In de stad krijg je hoofdpijn, alles is er vierkant. In de natuur zie je fractale patronen – bosranden, bloemen, wolken – waardoor je brein tot rust komt. Zelfs bio-akoestiek is fractaal. Maar in de manier waarop we onze leefomgeving vormgeven, doen we niets met dit soort basale kennis over wie wij als mensen zijn en wat wij nodig hebben. In plaats daarvan stoppen we onze landschappen vol met poep en PFAS. Maar omdat we deel zijn van onze omgeving doen we het onszelf aan: er zit plastic in ons bloed.
De natuurverzorgers die ik gesproken heb, zijn opmerkelijk optimistisch. Soms zijn ze verdrietig en boos, maar in de regel zetten ze die boosheid om in zorg en energie. Ze mopperen wel, maar rouwen niet. De erbarmelijke toestand van de natuur is juist een reden om aan de slag te gaan en dan helpt het niet als je de hele tijd anderen de schuld gaat zitten geven. Er zit een gekke mengeling in van bravoure en bescheidenheid – wie zijn wij om anderen te vertellen wat ze moeten doen? – gekruist met: en nou moeten we verdorie aan de bak! Waarom? Je kunt het ook niet doen, maar dan sterft alles waar je bij staat. Dat is voor de verzorgers simpelweg geen optie.
En ze weten iets wat anderen niet weten: de combinatie van liefde en kennis leidt tot wijsheid. De mystieke filosoof Terence McKenna muntte daarvoor ooit het begrip ‘biognosis’: wijsheid die voortkomt uit een diepe liefde die gevoed wordt door kennis en ervaring. Ik denk dat je dit begrip kunt toepassen zonder transcendent te hoeven trippen. Soms kun je een soort redden met speciekuipen uit de bouwmarkt, zoals met de geelbuikvuurpad is gebeurd. Als dat kan, dan moet je het doen. Omdat het simpelweg geen optie is om het niet te doen. Het is een uitermate bevredigende tijdsbesteding want het geeft je leven betekenis. Je krijgt niet meteen de natuur die je wil, maar de kunstgreep is nodig om erger te voorkomen en daarna zien we wel verder.
Succesvolle herstelstrategieën zijn divers, het gaat tenslotte om biodiversiteit. En het is relatiebeheer. Natuurherstel gaat niet alleen over het herstellen van de fysieke condities van de leefomgeving, maar ook over herstel van de relatie tussen mens en natuur.
Op donderdag 9 oktober verschijnt Sander Turnhouts boek Over leven: Wat uitsterven ons kan leren over natuurherstel. Naar aanleiding daarvan organiseert uitgever KNNV een symposium over natuurherstel, met onder anderen sprekers van het Wereld Natuur Fonds en De Vlinderstichting. Het programma is te volgen via een livestream
Lees ook:








