© .flickr.com/photos/gertjanvannoord/53066283199
Soms wekken levende doden de doden tot leven. Een mooi voorbeeld is de schubvaren, een sporenplantje dat in zijn kielzog de halve stad wist te vergroenen. In Amsterdam worden de natuurkwaliteiten van kademuren en sluizen al sinds 1943 bijgehouden maar het duurde nog tot diep in de jaren tachtig voordat de gemeente die kwaliteiten ook omarmde en het streven naar schone ‘plantvrije’ muren definitief liet varen.
Dat ging niet van de ene op de andere dag. De ontdekkingsplaats, het Stenen Hoofd nabij het Centraal Station was in onbruik geraakt als laad- en losplaats en het woekeren van onkruid werd ‘gedoogd’ omdat het verder geen kwaad kon. In 1987 dook daar de sensationeel zeldzame schubvaren op. Dat trok veel bekijks en daardoor kwamen de unieke kwaliteiten van de plek steeds beter in beeld. In 1997 begonnen floristen te pleiten voor een muurplantenreservaat, waar destijds de creatieve term ‘het eerste verticale natuurreservaat van Europa’ voor werd bedacht. Inmiddels is die term in gebruik genomen door projectontwikkelaars die groene woontorens willen slijten, maar in 2011 was formele, planologische bescherming voor de verticale delen van de stad – in dit geval de kademuren van het Stenen Hoofd – een novum.
Behalve de schubvaren, doken er vele andere soorten op. Mannetjesvarens staan er letterlijk mannetje aan mannetje, geflankeerd door vele eikvarens, zowel de gewone als de brede eikvaren. Minder prominent, maar nog exclusiever is de steenbreekvaren die er florissant bij staat. Behalve het groen van de varens zie je ook het geel van grote zandkool, bezemkruiskruid, vlasbekje en stengelomvattend havikskruid, het roze van wilgenroosje en spoorbloem en het roodbruin van muurnavel. Ook staan er zeldzame grassen als hoge dravik.
Maar wat betekent dat allemaal? In de eerste plaats dat het stedelijk gebied tegenwoordig soortenrijker is dan het platteland. Maar we moeten oppassen voor ‘scorebordjournalistiek’: een bonte verzameling soorten maakt nog geen gezonde biodiversiteit. Belangrijker is dat de muurplanten ons met andere ogen naar de stad laten kijken – en als je eenmaal anders gaat kijken, ga je ook anders doen. En juist dat is heel hard nodig. We komen alleen weg uit de biodiversiteitscrisis als we de kunstmatige scheiding tussen mens en natuur opheffen.
In Onder het plaveisel het moeras (1996) werkt schrijver A.F.Th. van der Heijden het beeld uit van de stad Amsterdam als dunne stenen korst bovenop een eeuwenoud moeras. Dat is een mooi beeld: wij mensen zien vooral het plaveisel, maar Amsterdam heeft ook een slordige honderd kilometer aan kademuren en grachten. Dat opent perspectieven: als je het beeld kantelt, zie je een versteende rivierdelta.
Er zitten zoveel bijzondere soorten op de kademuren vanwege ‘horizontale kwel’. Regenwater dat neerkomt, zakt de bodem in en komt, door de druk van alle bebouwing, door de kademuren naar buiten sijpelen waardoor er een voedselarme situatie ontstaat met schoon, gefilterd kwelwater met een beetje kalk van de mortel. Voor varens zijn dit optimale condities. Als beheer en onderhoud dan gericht worden op basis van de kennis die door de natuuronderzoekers wordt verzameld, gebeuren er mooie dingen. De schubvaren ging van één exemplaar op het Stenen Hoofd naar negenhonderd exemplaren op verschillende plekken. Er werd een zeer zeldzame genaalde streepvaren ontdekt in het Oostenlijk Havengebied, een groensteel op de Amstelsluizen en een lancetvormige streepvaren op de Nassaukade. Na Zuid-Limburg, met zijn mergel, groeves en heuvels, is Amsterdam het meest varenrijke bolwerk van Nederland, zoals Peter Wetzels en Ton Denters laten zien in hun onderzoek ’80 jaar Amsterdamse muurflora’.
Het denken over natuur in de stad is in Amsterdam met haar nu gekoesterde muurflora flink veranderd. Er kwam niet alleen een natuurinclusief kadesysteem met waterdoorlaatbare spouwmuren en plantvriendelijke specie, maar er kwamen ook vleermuisholtes, visstenen en riffen voor zoetwatermosselen. Er vliegen tegenwoordig weidebeekjuffers boven de grachten. Wie dat in 1987, toen de eerste schubvaren werd gevonden, had durven zeggen, was hard uitgelachen. Maar ook zonder libellenkenner te zijn, zie je het: de grachten zijn veranderd van een open riool vol boodschappenkarretjes en fietswrakken in een halfkunstmatige delta met vertakkingen, waterplanten en vissen. Door het water, via het aalreservaat-in-wording in de Sloterplas kun je het Amsterdamse Bos de stad in trekken. Het water en de kades brengen de parken en plantsoenen in verbinding met het bos en buitengebied.
Lees ook: