[ad_1]

O, dat midden, het heerlijke midden. Wie vanuit een andere beschaving zou neerstrijken in ons land ten tijde van de verkiezingscampagne zou denken dat de stam der Nederlanders een mysterieuze mogendheid aanbidt: het midden.
Op dat ‘midden’ wordt veel geprojecteerd. Het is niet alleen begerenswaardig, maar ook kwetsbaar. Het zou scheuren, splijten, ten onder gaan aan polarisatie. Er wordt aan getrokken en op geduwd. Niet zelden roepen politici zichzelf uit tot ‘het midden’.
Neem Henri Bontenbal, die wanneer hij wordt aangesproken als centrum-rechts begint te steigeren, en roept toch écht het midden te zijn. Hij staat daarmee in een lange traditie van christen-democratisch tobben (pagina 12). Of neem Dilan Yesilgöz, die inmiddels een cirkel om zichzelf heeft getrokken, roept dat zij het midden ís en dat wie zich niet bij haar voegt ‘radicaal’ is. Zij doet dat terwijl haar eigen partij splijt en kiezers hun heil zoeken bij andere rechtse partijen, zoals JA21 (pagina 42), waar de politieke avonturier Joost Eerdmans plots last krijgt van vleugels in eigen gelederen en hij weer het midden moet vinden tussen het bestuurlijke karakter van Ingrid Coenradie en het rechts-reactionisme van Annabel Nanninga.
Hoe springlevend het midden is, bewijst niet alleen Bontenbal, maar ook D66-leider Rob Jetten. Verrassend is de wending die Jetten heeft gemaakt. Geheel in lijn met partijvader Jan Terlouw presenteert hij zich als een redelijk alternatief, dat aan de hand van keukentafelgesprekken het moralisme van links aflegde – en nu plots succes oogst door heel erg het midden te zijn.
‘Het politieke ideaal van het midden is intuïtief goed te begrijpen. Een midden is een rustpunt, in tegenstelling tot de uitersten die maar heen en weer zwiepen, en stabiliteit is wat we allemaal verlangen van een politiek regime’, schrijft Thomas Muntz in een beschouwing (pagina 24) waarin hij het midden problematiseert.
Terecht. Een te redelijk midden kan gevaarlijk zijn, waarschuwen politicologen inmiddels al jaren. Een van de meest roemruchte stemmen in dat koor is de overleden politicoloog Peter Mair. Casper Thomas onderzoekt hoe de ideeën van deze ‘cult-intellectueel’ nog altijd nadreunen (pagina 48). In de sombere analyse van Mair is populisme de uitkomst van politieke elites die hun band met burgers zijn verloren. Die zijn afgehaakt, terwijl politieke elites zich hebben teruggetrokken in beleidsbubbels waarin de rede het wint van verlangens die onder de bevolking leven.
Als het midden samenklontert, sterft ook het debat
Zelfs een man als Geert Wilders, al meer dan twee decennia dé plaaggeest van al die middenpartijen, lijkt iets van die inzichten te hebben opgedaan. In september verraste hij toen hij in een debat met premier Dick Schoof een betoog afstak waar je bij de UvA een tien voor had gekregen. ‘In de Nederlandse politiek – in tegenstelling tot Angelsaksische landen – zitten politieke partijen graag en vaak in het midden. Daar vinden ze elkaar en kiezers zien dan vaak niet meer een verschil tussen de partijen’, zei Wilders. ‘Ik zeg niet dat de zogenaamde flanken de enige zijn met een oplossing, maar in het midden zit het vaak niet. De mensen thuis stemmen en zien dan dat er aan het einde van de dag onvoldoende of niets verandert. En dan worden mensen boos.’
Zijn voormalige partijgenoot bij de VVD, Mark Rutte, had al jaren die analyse. Hij slaagde er zelf niet in om van zijn partij een club te maken met felle en heldere standpunten, maar treurde als staatsman vaak over de teloorgang van polarisatie tussen de grote volkspartijen. ‘Dat brede politieke midden, ik hoop dat daar veel aanhang voor blijft’, zei de oud-premier in 2017.
Bij de formatie van 2021, die uiteindelijk zou leiden tot de vorming van Rutte IV, verzette hij zich met hand en tand tegen een coalitie waarin vrijwel álle partijen uit het brede midden zouden aansluiten. Hij vond dat ronduit gevaarlijk voor de democratie. Als het midden zo zou samenklonteren, zou het debat ook wegsterven. En dat zou olie op het vuur van de flanken zijn.
De werkelijkheid die Wilders schetst, is niet meer de praktijk. Het ‘brede midden’ heeft zijn huiswerk gedaan. Binnen veel democratische politieke partijen is driftig gestudeerd op de eigen ideologie, en het tijdperk waarin dat midden een amorfe grijze smurrie was ligt achter ons. Lees bijvoorbeeld het stuk van Marcel ten Hooven (pagina 18) en ontdek hoe ingrijpend de mensbeelden van de VVD, het CDA en GroenLinks-PvdA van elkaar verschillen.
Niettemin zijn de angsten van Rutte van jaren geleden actueler dan ooit. Nederland bevindt zich aan de vooravond van het soort experiment waarvoor hij waarschuwde. Natuurlijk, er zal nog gestemd moeten worden en dit nummer gaat ruim voor het sluiten van de stembussen naar de drukker, maar de kans dat in een formatie het zeer brede midden noodgedwongen zal moeten samenklonteren om een landsbestuur te vormen, is groot. Als er binnen het midden straks geen debat meer is, verwordt het tot een moeras dat zichzelf verzwelgt.
Lees ook:


Voorpublicatie
Nr. 43-44 /
[ad_2]
https://www.groene.nl/artikel/het-begeerde-maar-o-zo-gevaarlijke-midden






