Aankomende maandag zal buitenlandminister Asaad Hassan al-Shaibani de Syrië-conferentie in Brussel bijwonen. Het is de eerste keer sinds de aanvang van dit jaarlijkse evenement dat een afgevaardigde van de Syrische autoriteiten is uitgenodigd, en markeert een intensivering van de diplomatieke banden tussen de EU en Syrië, die sinds 2011 vrijwel stillagen.
Het is sowieso amper bij te houden wat er dagelijks rondom Syrië gebeurt: bijeenkomsten met buitenlandse delegaties en internationale organisaties in Damascus, Syrische afgevaardigden die afreizen naar andere hoofdsteden, verdragen tussen de nieuwe autoriteiten, lokale autoriteiten en leiders van etnisch-religieuze groepen, confiscaties van Assads drugs-laboratoria en arrestaties van prominente Assad-loyalisten met bloed aan hun handen.
Afgelopen donderdag ondertekende interim-president Ahmed al-Sharaa een tijdelijke grondwet die vijf jaar zal gelden, waarna verkiezingen moeten volgen. Het document bepaalt dat, net als onder Assad, het staatshoofd een moslim moet zijn en islamitisch recht een belangrijke bron van jurisprudentie vormt. Ook benadrukt het vrijheid van meningsuiting, persvrijheid, vrouwenrechten en overgangsjustitie.
Tegelijkertijd worden er nog regelmatig nieuwe massagraven uit de oorlog van de afgelopen jaren ontdekt en lijkt de economische situatie voorlopig alleen maar te verslechteren. De ronduit gruwelijke geweldsuitbarsting van vorige week, waarbij niet alleen honderden regeringssoldaten en oud-Assadmilitanten omkwamen, maar ook honderden burgers – voornamelijk alawieten – laat zien hoe fragiel de situatie is en hoe groot het vraagstuk van verzoening.
De val van het Assad-regime biedt desondanks een uitgelezen kans voor Europa om de banden in het Midden-Oosten aan te halen, zeker gezien de verschuivende verhoudingen op het wereldtoneel. Maar de EU blijft een log instituut. Waar de toenadering in januari nog een vlucht leek te nemen, vertraagden de diplomatieke activiteiten juist na Trumps aantreden, de crisis over Oekraïne en de toenemende Amerikaanse vijandigheid richting Europa.
Het meeste initiatief komt vooralsnog van individuele lidstaten zoals Duitsland en Italië, maar op Europees niveau schiet het niet op, ziet Julien Barnes-Dacey van het European Council on Foreign Relations, een denktank. ‘Er is wel de intentie om te onderzoeken hoe Europa het nieuwe Syrische bestuur kan steunen, maar het gevoel van urgentie ontbreekt,’ zegt Barnes-Dacey.
De belangrijkste obstakels voor wederopbouw en economisch herstel zijn de internationale sancties tegen de Syrische staat en instituties. Vorige week kondigde de EU een beperkte versoepeling aan, maar volgens Syrië-expert Mohammad Kanfash is dat ‘te laat en te weinig’. De paar relatief kleine banken die nu van de sanctielijst af zijn, hebben geen grote invloed op de economie, terwijl de Centrale Bank er nog steeds op staat, zegt hij. ‘De sanctieverlichtingen op de energie- en transportsector zijn goed, maar zullen helaas ook weinig soelaas bieden vanwege de aanhoudende Amerikaanse sancties.’
De Verenigde Staten hebben Syrië al decennialang op de terreurlijst staan en voerden de sancties tegen zowel Syrische individuen als de staat zelf de afgelopen jaren fors op. Dat deze sancties niet worden verlicht terwijl ze ook andere landen dwarsbomen zaken te doen in Syrië, wordt door velen binnen en buiten Syrië als problematisch gezien, omdat het de opbouw van een private sector en dus economisch herstel belemmert.
Het Europese getreuzel hangt samen met de Amerikaanse houding. Het regime in het Witte Huis staat wantrouwiger tegenover de nieuwe autoriteiten in Damascus en lijkt voorlopig niet van plan het sanctiepakket significant te verlichten. Bovendien hadden de EU en veel Europese lidstaten historisch gezien al geen heel sterke banden met Syrië en lijkt EU-buitenlandchef Kaja Kallas niet veel aandacht te hebben voor het Midden-Oosten.
Ook de nationale dynamieken binnen Europa spelen een rol. De grote invloed van pro-Israëlische en rechts-radicale politieke partijen in Europese regeringen – in Nederland zelfs de hele coalitie – resulteert in een Midden-Oostenbeleid waar Israël centraal staat. Dat heeft directe consequenties voor het Syrië-beleid. Waar Israël eerder nog Assad aanwees als bedreiging vanuit Syrië, zou nu de dreiging uitgaan van de door Turkije gesteunde regering van islamisten – hoewel Damascus geen enkel teken heeft gegeven van intenties Israël militair te willen confronteren (en dat niet eens zou kunnen).
Nu duidelijk is dat niet alleen Iran maar ook Israël uit is op destabilisatie in Syrië, en die laatste dat uitlokt door Damascus te blijven bombarderen en steeds meer gebied in Zuid-Syrië te bezetten, wordt deze positie van Europa problematisch, waarschuwt Kanfash. ‘Europa is gebaat bij een stabiel Syrië vanwege migratie, terrorisme en regionale stabiliteit. Dat betekent dus dat het tegengas moet geven, want wat Israël nu doet druist volledig in tegen de belangen van Europa.’
Hieraan gelinkt is de ‘minderheden-bril’ waardoor veel Europese beleidsmakers naar Syrië kijken. Door de bijna exclusieve focus op etnisch-religieuze minderheden zonder de soennitische meerderheid en hun lijden onder Assad te erkennen, loopt Europa het risico die verschillen alleen maar te vergroten, wat Iran en Israël in de hand zou spelen. En dat terwijl het merendeel van de Syriërs voor een verenigd land is zonder sektarische politiek.
Europa moet daarom snel een duidelijke Midden-Oostenstrategie formuleren, waarbij de gedeelde belangen met Arabische staten centraal staan, stelt Barnes-Dacey. ‘Op termijn verwacht ik toenadering tussen de Golfstaten en Europa, maar dat momentum moet nú worden aangegrepen.’
Ook Kanfash maant Europese politici vaart te maken. ‘Arabische landen bieden momenteel veel meer steun, houden veel diplomatieke bijeenkomsten en gaan al allerlei samenwerkingen met de nieuwe autoriteiten aan. Europa zie ik vooralsnog vergaderen, maar we moeten echt denken in termen van grote Europese pacten, een lobby voor sanctieverlichtingen, noodhulpprogramma’s en technische ondersteuning voor de Syrische overheid.’ De eerste top van de EU-Samenwerkingsraad van de Golf in oktober 2024 ziet Kanfash als een veelbelovende kans om zijn rol in het Midden-Oosten op te pakken, maar dan moet het nu wel doorpakken. ‘Pas als Europa aan tafel zit kan het ook invloed uitoefenen.’
Verder lezen: