© Mark Makela/Getty Images
‘Eigenlijk had ik ’m moeten meenemen en opzetten: ik heb zo’n petje met Make Orwell Fiction Again’, gnuifde Elon Musk. In november vorig jaar was hij in gesprek met Joe Rogan, de populairste podcaster van dit moment, waar hij zich uitgebreid beklaagde over de adverteerdersboycot op Twitter, dat hij tweeënhalf jaar eerder had gekocht. Vanwege toenemende haattaal, antisemitisme, racisme, desinformatie en nepaccounts liep ongeveer de helft van de adverteerders weg van het platform. Dat voelde voor hem als een schandelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting.
Gaat het over censuur, dan denkt men al gauw aan Orwell. In zijn beroemde dystopie Nineteen Eighty-Four (1949) schetst hij een spectaculair en beangstigend beeld van een dictatoriaal regime dat de vrijheid van meningsuiting extreem inperkt. Dat boek schoot weer omhoog op de bestsellerslijsten na de verkiezingswinst van Donald Trump in 2016. En ook de satirische petjes met Make Orwell Fiction Again waren een reactie op de autoritaire trekjes van de nieuwe president, met zijn alternatieve feiten en newspeak.
Inmiddels dwepen ook figuren als Musk graag met Orwell. De techmiljardair vond dat hij werd belaagd door ngo’s met namen als Center for Countering Digital Hate, volgens hem orwelliaans omdat die hem censureerden zoals het ministerie voor Waarheid in Nineteen Eighty-Four de waarheid juist ondermijnt. (Wat hij vergat is dat niet de staat maar hijzelf eigenaar was van de machtige technologie. En dat het verspreiden van racisme en desinformatie iets fundamenteel anders is dan een mening uiten.)
Begin dit jaar, niet lang na Trumps tweede verkiezingsoverwinning, schuift er een andere techmiljardair aan bij Joe Rogan: Meta-baas Mark Zuckerberg. Opnieuw komt Orwell ter sprake. Voorafgaand aan het gesprek had Zuckerberg een miljoen dollar gedoneerd aan Trump voor diens inauguratie en verkondigd dat Facebook ging stoppen met factchecken. Zuckerberg herhaalt bij Rogan met een schamper lachje zijn eerdere klacht over het kabinet-Biden, dat hem tijdens de coronapandemie verzocht desinformatie en memes over de vaccins te verwijderen van zijn platform. ‘Zo is Nineteen Eighty-Four een handleiding,’ zegt Rogan. Alsof de overheid dus om ideologische redenen Facebook probeerde te censureren. Zuckerberg stemt schaapachtig met Rogan in.
Nu was Orwell inderdaad een fel tegenstander van censuur. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog had hij, als strijder bij een van de linkse milities tegen de fascisten van Franco, gezien hoe de communistische militie de macht naar zich toe trok en begon te censureren. Dat beschreef Orwell in zijn boek Homage to Catalonia (1938). In het begin was die censuur vrij bot en duidelijk: ‘La Batalla [de krant van Orwells militie] verscheen nog wel, maar werd gecensureerd tot de voorpagina bijna volledig leeg was.’ Later werd er subtieler gecensureerd: ‘Er kwam een nieuwe regel waardoor gecensureerde stukken krant niet leeg mochten blijven, maar opgevuld moesten worden met andere tekst; daardoor werd het vaak onmogelijk te zien of iets was weggehaald.’
Terug in Engeland kreeg Orwell bovendien te maken met een soort zelfcensuur van Britse uitgevers, toen hij Animal Farm wilde publiceren. Daarover schreef hij in ‘De vrijheid van drukpers’, een inleiding die hij later schreef voor de Oekraïense vertaling. Liefst vier uitgevers wezen zijn fabel annex satire op het stalinistische regime af. Een van hen, Jonathan Cape, vond het boek geweldig, maar won eerst advies in bij het ministerie van Informatie. Daar was het zeer waarschijnlijk Peter Smollett die een negatief advies gaf.
Cape schreef Orwell: ‘Ik zie nu in dat het kan worden gezien als iets dat zeer onverstandig is om op dit moment uit te geven. Als de fabel nou gericht was geweest op dictators en dictaturen in het algemeen dan zou de publicatie alleszins in orde zijn, maar de fabel volgt, zoals ik nu zie, de ontwikkeling van de Russische sovjets en hun twee dictators zo nauwkeurig dat hij louter van toepassing kan zijn op Rusland, zulks met uitsluiting van andere dictaturen. En dan nog iets: het zou minder aanstootgevend zijn als de dominante klasse in de fabel niet zou bestaan uit varkens.’
Uitgever Fredric Warburg durfde de publicatie uiteindelijk wél aan. Animal Farm verscheen augustus 1945 en de eerste druk, met een oplage van bijna twintigduizend exemplaren, was in een mum van tijd uitverkocht. Later bleek Smollett een spion voor de Russen te zijn geweest.
De censuur waartegen Orwell zich verzette was dus anders van aard dan die waarover Musk zijn beklag deed. De relatie tussen adverteerders en een platform is duidelijk anders dan de verhouding tussen twee gewapende politieke groepen of tussen een overheid en een onafhankelijke uitgeverij. Zuckerbergs klacht lijkt serieuzer, want in zijn geval bemoeide de overheid zich inderdaad inhoudelijk met zijn platform.
In ‘De vrijheid van drukpers’ erkent Orwell dat er altijd wel een zekere censuur is. Dat staatsgeheimen niet zomaar gepubliceerd mogen worden, is volgens Orwell bijvoorbeeld een vorm van censuur, maar wel een begrijpelijke en geoorloofde vorm: ‘Als de intellectuele vrijheid, die zonder twijfel een van de kenmerken van de westerse beschaving is geweest, ook maar iets betekent, dan is het wel dat iedereen het recht heeft te zeggen en te publiceren wat hij als de waarheid beschouwt, op voorwaarde dat dit de rest van de gemeenschap niet op een duidelijke manier schaadt.’
Precies op dat laatste beriep de Amerikaanse overheid zich. Het Witte Huis stelde afgelopen zomer al dat het kabinet-Biden platforms ‘wees op hun verantwoordelijkheid ten tijde van een dodelijke pandemie’. Met andere woorden, het ging de overheid niet om het monddood maken van een politieke tegenstander, maar om een van haar primaire taken: het beschermen van de volksgezondheid. Dat zou voor Orwell dus een gegronde reden voor overheidsingrijpen geweest kunnen zijn.
Een ander rechts icoon die zich graag op Orwell beroept, is de Canadese klinisch psycholoog Jordan Peterson. Hij belicht een minder bekend deel van Orwells opvattingen. In zijn populaire zelfhulpboek 12 regels voor het leven (2018) doorspekt hij zijn verhaal met allerhande citaten van zijn favoriete auteurs, Nietzsche, Jung, Dostojevski en George Orwell. Op Petersons lijstje met boeken die hem naar eigen zeggen het meest hebben beïnvloed, prijkt Orwell zelfs twee keer, met Nineteen Eighty-Four en The Road to Wigan Pier (1937). Naar dat laatste werk verwijst Peterson ook tegen het eind van zijn boek.
In The Road to Wigan Pier beschreef Orwell op verzoek van de Left Book Club, een antifascistische samenwerking van linkse uitgevers en politici, het schrale, harde leven van mijnwerkers in Lancashire en Yorkshire. Orwell gaat met zijn 1 meter 88 lange lichaam half kruipend, half lopend door de kilometerslange mijnschachten. Na een slopende werkdag in het donker doorstaat hij diepe vermoeidheid en helse rugpijnen. Hij rekent het armzalige loontje na waarmee de mijnwerker zich in leven moet zien te houden. Oneerlijk, onmenselijk: zoveel is duidelijk. Ook Peterson is erdoor geraakt. ‘Alleen een monster blijft onbewogen bij het relaas dat Orwell over die levens geeft’, schrijft Peterson.
In het tweede deel van Wigan Pier richt Orwell zijn pijlen op de linkse politici en intellectuelen in Engeland. Peterson vat Orwell in een paar zinnen samen: sociale hervormers gaven niet werkelijk om de armen, ‘in plaats daarvan hadden ze gewoon een hekel aan de rijken. Ze verhulden hun ressentiment en jaloezie met vroomheid, schijnheiligheid en zelfingenomenheid.’ En daar voegt Peterson op eigen titel aan toe: ‘Aan het onderbewuste – of aan het linkse front van zogenaamde sociale rechtvaardigheid – is tot op de dag van vandaag weinig veranderd.’
Peterson parafraseert hier Orwells kritiek op marxisten met boekengeleerdheid. Die noemt Orwell in Wigan Pier ‘het almaar traktaten afscheidende type socialist, met zijn pullover, warrige haar en Marx-citaten […] Zelden geeft hij blijk van medelijden met de uitgebuitenen, maar hij is volleerd in het tonen van zijn afkeer – een vreemd soort theoretische, in het luchtledige zwevende afkeer – voor de uitbuiters.’
Maar Peterson vertelt niet het hele verhaal. Orwell gaf deze kritiek namelijk niet om het socialisme te verwerpen – zoals Peterson hier doet voorkomen –, maar juist om het te verbeteren. Het socialisme moest geen scherpslijperij in pamfletten zijn, maar blijken uit handelingen. In Wigan Pier schrijft hij: ‘socialisme is zo overduidelijk gezond verstand, dat ik er soms versteld van sta dat het nog niet uit zichzelf overal is ingevoerd.’ Duidelijker kun je het haast niet krijgen.
In ons eigen land duikt Orwell in Kamerdebatten verrassend genoeg op bij Forum voor Democratie. Partijleider Thierry Baudet grijpt graag terug op Orwell als het over de Europese Unie gaat. Goed om te herinneren: Baudet kreeg landelijke bekendheid toen hij met zijn FvD campagne voerde voor een nee-stem in het roerige Oekraïne-referendum in april 2016. In juli van dat jaar schrijft Baudet voor een rechts Zwitsers weekblad het essay ‘Europas Abschied von der Demokratie’, dat in het Nederlands verschijnt bij GeenStijl.
In maart 2024 leest Baudet in de Tweede Kamer grote delen van dit essay voor tijdens een plenair debat over het FvD-voorstel voor een raadgevend referendum over het opzeggen van het Nederlandse EU-lidmaatschap. Baudet houdt een exposé over James Burnham, een inmiddels wat vergeten Amerikaanse politiek filosoof uit de vorige eeuw die na een korte vriendschap met Trotski het marxisme vaarwel zei en een prominente conservatief werd. Na zijn ommekeer schreef Burnham het boek The Managerial Revolution (1941). Hij voorspelde daarin een samenleving die niet kapitalistisch, socialistisch of democratisch zou zijn, maar gerund zou worden door ‘managers’: bedrijfsleiders, technici, bureaucraten en militairen.
Zoals Baudet terecht opmerkt, werd Orwell geïnspireerd door Burnham. Orwell schreef in 1946 en 1947 twee lange artikelen over Burnham, waarin hij hem fileert. Toch zien we Burnhams ideeën van een in machtsblokken opgedeelde wereld en een dictatuur van bureaucraten onmiskenbaar terug in Nineteen Eighty-Four.
Maar Baudet brengt dit alles in de context van een kritiek op de EU en doet daarmee Orwell onrecht. Baudet bombardeert Burnham tot grondlegger van de EU en stelt de unie zo’n beetje gelijk aan de dictatuur in Nineteen Eighty-Four. Met veel aplomb verkondigt hij: ‘De EU is niet zozeer ondemocratisch als wel antidemocratisch. Een democratische EU is onmogelijk. […] Niemand wil in een United States of Europe leven.’
Alleen, Orwell wilde dat dus wél. In de zomer van 1947 publiceerde hij een essay getiteld ‘Naar Europese eenheid’. De wereldoorlog heeft dan plaatsgemaakt voor de Koude Oorlog – een benaming die overigens is verzonnen door Orwell. Hij schetst daarin drie zwarte toekomstscenario’s met atoomaanvallen. De enige manier om die te voorkomen: ‘men moet in een groot gebied democratisch socialisme aan de gang krijgen.’ Het enige gebied dat daarvoor in aanmerking komt: West-Europa. En dan stelt Orwell onomwonden: ‘Daarom lijkt een socialistische Verenigde Staten van Europa mij vandaag de dag het enige politieke doel dat de moeite waard is.’
Orwell leverde veelvuldig harde kritiek op linkse politici en intellectuelen. Dat maakt hem voor hedendaagse rechtse stemmingmakers in eerste instantie zo interessant om te noemen of te citeren. Wie de context negeert en niet verder leest om te ontdekken waar Orwell werkelijk voor stond, kan zich zo vergissen en Orwells opvattingen voor rechts houden – dat waren ze niet.
Orwells naam is zo beroemd en zijn angstbeelden zo onheilspellend, dat zelfs rechtse prominenten hem aan zijn zijde claimen. Ze proberen daarmee hun eigen standpunten van wat extra cachet te voorzien. ‘Orwell zei dit al, dus heb ik gelijk.’ Maar bij nadere beschouwing zei Orwell ‘dit’ vaak helemaal niet. De manier waarop hij nu door Musk of Peterson wordt aangehaald, maakt van hem een soort stoplap en een autoriteitsargument.
In meerdere essays waarschuwde Orwell nota bene zelf voor de uitholling van woorden. In ‘Wat is fascisme?’ uit 1944 constateerde hij bijvoorbeeld dat het woord ‘fascist’ zijn scherpte en betekenis verloor omdat het voor zo’n beetje voor iedere politieke tegenstander werd gebruikt. Zoiets is tegenwoordig het geval met het woord ‘orwelliaans’. Hoe mooi het ook is dat Orwells waarschuwingen breed worden gehoord, niet alles is orwelliaans. En als er al petjes verkocht moeten worden, dan toch liever met Make Orwell Left Again.