Wie is er bang van ‘het volk’? Politiek elitisme in vier Europese landen


Het succes van populisme leidde de afgelopen jaren tot een omvangrijke literatuur rond de vraag wie populisme onder welke omstandigheden steunt en waarom. Dat onderzoek toont overtuigend dat (1) populisme erin slaagt mensen met heel uiteenlopende bezorgdheden en frustraties te verenigingen, (2) er achter de steun voor populisme duidelijke intergroep-dynamieken schuilgaan (populisme speelt sterk in op een wij-versus-zij denken) en (3) de saillantie van de categorie ‘het volk’ (‘the people’) in populistische retoriek daarbij een cruciale rol speelt. Er is echter veel minder bekend over de impact van het succes van populisme op burgers die populisme niet steunen: voelen zij zich bedreigd door ‘het volk’ en nemen ze daarom een meer elitaire visie aan ten aanzien van politiek?

Het beantwoorden van die vraag is belangrijk om twee redenen. Ten eerste zal men de steun voor populisme nooit volledig begrijpen zonder ook onderzoek te doen naar de reactie van mensen die populisme niet steunen. Precies omdat populisme gebaseerd is op een gemoraliseerd onderscheid tussen het goede volk en de corrupte elite, en in die zin al sterk doordrongen is van groepsdenken, is het waarschijnlijk dat de reactie tegen populisme bijdraagt aan de steun voor populisme. Ten tweede ziet men ook steeds vaker zowel bij politici zelf als bij politiek filosofen pleidooien voor elitisme. Auteurs als Jason Brennan, bijvoorbeeld, pleiten openlijk voor het installeren van een politieke meritocratie waarin stemrecht afhankelijk wordt gemaakt van aantoonbare politieke interesse.

Tegen die achtergrond onderzochten we op basis van surveygegevens (N= 4,842) uit vier landen (het Verenigd Koninkrijk, Nederland, Denemarken en Griekenland) het bestaan van enerzijds de bezorgdheid over de rol van ‘het volk’ in hedendaagse politiek en anderzijds de steun voor elitisme. Beide elementen blijken onderling sterk te correleren en vrij ruim verspreid te zijn. Zo gaat 35% akkoord met de stelling dat ‘gewone mensen’ niet voldoende kennis hebben om beleidsbeslissingen te bepalen, en 38% stelt dat het de samenleving zou schaden als we de voorkeuren van mensen rechtstreeks in beleid zouden vertalen. 38% van de respondenten vindt dat politici ‘de mensen’ moeten leiden in plaats van te volgen en nagenoeg 20% gaat akkoord met de stelling dat politieke leiders beslissingen moeten nemen volgens hun eigen inzichten en niet op basis van de ‘wil van het volk’. Onze observaties sluiten aan bij eerder onderzoek dat ruime steun voor elitisme en technocratie documenteert, zelfs wanneer zeer radicale stellingen gebruikt worden.

Elitisme komt meer voor bij burgers die een sterke sociale positie innemen, zoals mensen met een hoger inkomen of opleidingsniveau. Opleidingsverschillen in de steun voor elitisme worden bovendien groter naarmate mensen zich sterker identificeren met hun opleidingsniveau, zoals blijkt uit de veel sterke stijging van de regressielijn voor hoogopgeleiden (Figuur 1). Een gelijkaardig patroon vinden we niet voor inkomen. Op dat punt sluit ons onderzoek aan bij een groeiend aantal studies dat toont dat in de context van politieke opvattingen en gedrag meer materiële verschillen duidelijk niet gelijkgeschakeld kunnen worden met opleidingsverschillen. Verder blijkt elitisme ingebed te zijn in een meer algemeen mens- en maatschappijbeeld dat gekenmerkt wordt door het verwerpen van egalitarisme en een sterk geloof dat de economische verhoudingen in de samenleving rechtvaardig en juist zijn.

Figuur 1: De relatie tussen identificatie met opleidingsniveau en steun voor populisme voor lager en hoogopgeleiden.

We vinden ook een aantal opmerkelijke verschillen tussen landen in de algemene patronen. In Denemarken en Nederland hangt elitisme vooral samen met opleidingsniveau en versterkt opleidingsidentiteit de geobserveerde verschillen. In Griekenland, daarentegen, hangt elitisme vooral samen met inkomen (en identificatie met inkomen) en níét met opleiding. Ook die bevinding toont dat inkomen en opleiding afhankelijk van de context duidelijk andere gevolgen hebben betreffende politieke opvattingen.

Samengevat, toont onze studie dat bezorgdheid met betrekking tot een té centrale rol van ‘het volk’ in de politiek en steun voor elitisme geen marginaal fenomeen zijn in hedendaagse Europese samenlevingen. Deze steun is bovendien duidelijk verbonden met sociale verschillen en ingebed in een meer algemeen mens- en maatschappijbeeld. Als we bezorgd zijn over de staat van de democratie, is het verwerven van een beter begrip van elitisme belangrijk. We zullen daar alleen in slagen als we de rol van sociale identiteiten in het algemeen en deze verbonden met opleidingsniveau in het bijzonder in rekening brengen. Opleidingsverschillen zomaar als klassenverschillen wegzetten, lijkt daarbij niet de juiste strategie. 

Deze blog werd geschreven op basis van een paper geschreven door Bram Spruyt, Didier Caluwaerts, Céline Darnon, Matthew Easterbrook, Leandros Kavadias, Rebekka Kesberg, Toon Kuppens, Antony Manstead, Lien Smets, Jochem van Noord en gepubliceerd in Political Psychology. De studie kan gelezen worden via deze link

Afbeelding via StockSnap.





https://stukroodvlees.nl/wie-is-er-bang-van-het-volk-politiek-elitisme-in-vier-europese-landen/